OEI

12 tm 23 maart in theater frascati in Amsterdam reserveren hier

Een nieuwe toneeltekst van Erik Bindervoet geschreven voor ’t Barre Land over de verhouding tussen Oei (ca.1800- ca.1866) en haar vader, de Japanse tekenaar Katsushika Hokusai (1760-1849). Oei was zijn leerling en werkte als assistent in zijn studio, maar maakte ook eigen werk, wat ze overigens zelden signeerde. Ze wordt ook wel ‘de spookschilder’ genoemd, omdat er zo weinig over haar bekend is. 

Het was bijzonder dat Oei in de studio van haar vader werkte en gedijde. Vrouwen werden daar zelden toegelaten. Sowieso komt Oei in de verhalen en legendes, die ondanks haar bestaan in de anonimiteit wel degelijk over haar de ronde doen, naar voren als een kleurrijk en eigenzinnig figuur.

Ze werkte en leefde in de schaduw van haar beroemde vader. Veel werken die aan Hokusai worden toegeschreven zijn vermoedelijk van haar hand. Als kind werd ze door haar vader meegenomen naar bordelen om geisha’s en kabuki-acteurs te tekenen. Ze kon eten als een bootwerker en drinken als een tempelier (een paar van de werken die ze wel signeerde, ondertekende ze met ‘Juffrouw Teut’). Haar collega’s hadden moeite met haar, omdat ze ‘zich gedroeg als een man’ en ze had een bloedhekel aan koken en schoonmaken. ‘Waarom zou ik schoonmaken als ik dit heb?’ zei ze dan, waarbij ze triomfantelijk haar penseel omhoog hield.

In de studio was het een bende omdat vader en dochter allebei niet van opruimen hielden: de grond lag er bezaaid met de verpakkingspapieren van de maaltijden die ze lieten bezorgen. Haar huwelijk hield geen stand, niet alleen omdat ze de vanzelfsprekende huiselijke plichten verzaakte maar ook omdat ze te veel kritiek had op haar man die eveneens schilder en tekenaar was. Ze ging terug naar haar vader die ze adoreerde en tegelijk vrolijk kon bespotten, omdat zij beter vrouwen (en vooral vrouwenhanden) kon tekenen dan hij (wat hij trouwens met haar eens was). Ze verzorgde hem tot zijn dood, waarna zij zelf in de mist van geschiedenis verdween.

Tijdens het schrijven van deze tekst verschijnt in de NRC een groot artikel over Oi waarin gesteld wordt dat niet Hokusai maar zijn dochter veel van de beroemde kunstwerken gemaakt heeft, zoals ‘De grote golf‘ uit 1830. Kunsthistoricus Julie Nelson Davis: „Dat strookt niet met het populaire kunsthistorische beeld van de geniale mannelijke kunstenaar die in zijn eentje met meesterhand zijn kunstwerken maakt. Dat beeld is een typisch westerse, romantische, mannen verheerlijkende kunstenaarsmythe, die wereldwijd geëxporteerd werd ten tijde van het Britse imperialisme eind negentiende eeuw. Het vertroebelt niet alleen het zicht op de nauwe samenwerking in kunstwerkplaatsen als die van Hokusai, waar volgens haar sprake was van ‘een collectief penseel’. Maar die genie-mythe ontneemt ook het zicht op de rol van vrouwelijke kunstenaars in de Japanse kunstproductie. Kunstenaressen zoals Oi, die daardoor in het vergeetboek raken.“

Als je de kunst van het weglaten, de meesterlijke beperking en verstilling ergens kunt vinden, dan is het in de Japanse dicht-, teken- en toneelkunst. Met dit stuk hoopt Erik te bereiken wat in zijn eerdere toneelteksten niet gelukt is: zichzelf en de woordenstroom enigszins indammen…… Hij heeft het hele stuk in de vorm van een Renga geschreven, een klassieke Japanse dichtvorm. 

Het uitgangspunt van deze tekst is het leven van Oei en de 36 uitzichten op de berg Fuji. Er worden pogingen gedaan om te omschrijven wat kleur is, wat kunstenaarschap is, of vergankelijkheid. Er verschijnen en verdwijnen even plotseling twee gevluchte Irakezen in de Van Ostadestraat in Amsterdam, recepten voor kleuren, of erotische fantasieën met twee octopussen. Alles even vluchtig en altijd filosofisch en speels, beeldend en associatief. 

De machtige wave

En in hun vissersbootjes

De schriele mensjes.

Is het ze daarom te doen?

Nee! Het is dat blauw. Mijn blauw!

 

En witter dan wit

Dat wit. Met dat blauw, van mij.

Dat maakt het zo wit.

Nou ja, hoe je t ook bekijkt…

Overweldigend blijft het.

Oei, over vader en dochter, is het vervolg op Patroon, over vader en zoon, de tekst die Erik schreef voor zijn zoon, Ludwig Bindervoet.

Margijn Bosch zal de rol van Oei op zich nemen, Erik Bindervoet zal als tekenaar aanwezig zijn op het toneel, evenals gitarist Stef van Es die de muziek schrijft voor deze voorstelling.

Erik Bindervoet vertaalde, samen met Robbert-Jan Henkes, verschillende stukken voor ’t Barre Land: Hamlet, De laatste dagen der mensheid en King Lear.  Musicus en gitarist Stef van Es maakte en speelde muziek in de voorstellingen: 1991 en Leonce Lena Liebelei.